|
Het woordenboek
A |
B |
C |
D |
E |
F |
G |
H |
I |
J |
K |
L |
M |
N |
O |
P |
Q |
R |
S |
T |
U |
V |
W |
X |
Y |
Z
| <<< terug | | | papier | pa´ pier ( het -woord papieren 1 dunne beschrijfbare vellen uit vezels, lompen of andere grondstoffen bereid; stuk papier; het papier is geduldig ( Zuid-Nederlands : verduldig) het is gemakkelijk iets op te schrijven of te laten drukken, al is het niet waar of onuitvoerbaar; 2 geldswaardig papier; dat loopt in de papieren dat wordt duur; zijn papieren dalen of stijgen figuurlijk a) zijn kansen worden slechter of beter; b) zijn invloed neemt af of toe; driemaands papier geldswaardig papier dat na drie maanden vervalt; kort, lang papier geldswaardig papier dat na korte resp. lange tijd vervalt; Zuid-Nederlands : in slechte, moeilijke papieren zitten in verlegenheid zitten, in moeilijkheden zitten; 3 getuigschriften, bewijsstukken e.d.: zijn papieren laten zien ; goede papieren hebben degelijke aanbevelingen bezitten, goed bekend staan; papier zonder eind zie bij papier-sans-fin ; zie ook bij papiertje en onbeschreven
|
|
|